Liefde in Dartmoor

Bruisende lentebubbels,

gelammerd in de nacht,

in ’t kippenvel vergeeld,

’t was door haar bedacht.

Ze heette Claustrofobia,

met een strikje om haar hals,

en een fluwelen knopje,

in het midden was het mals.

Ze had zo grote ogen,

die brandden in de wangen,

van z’n geharde kop,

en zette ze gevangen.

’s Morgens waren daar de trappen,

tegel na tegel door,

in de straten van de lente,

getrokken in een voor.

De boer kwam ze weer tegen,

in ’t veld, tussen het kruid,

gemangelde boterbloemen,

plakten op haar huid.

Ben F. Wesdijk

Plaats een reactie.